Basisregels
Om te kunnen starten met perspectief tekenen is het van belang de basisregels goed te bestuderen.
Regel 1: horizontale lijnen
Alle lijnen die evenwijdig lopen met de horizon blijven horizontaal.
basisregel 1
Regel 2: verticale lijnen
Alle verticale lijnen blijven verticaal.
basisregel 2
Regel 3: vluchtlijnen
Alle lijnen die in werkelijkheid evenwijdig (parallel) zijn en zich van ons verwijderen hebben eenzelfde verdwijnpunt op de horizon. Niet alleen de zichtbare lijnen, maar ook denkbeeldige lijnen die bijvoorbeeld de toppen van bomen weergeven.
basisregel 3
Regel 4: objectgrootte
Alles wordt kleiner naarmate het verder van ons verwijderd is.
basisregel 4
Regel 5: verdwijnpunten
Lijnen die naar links of rechts van ons weglopen hebben hun verdwijnpunt links of rechts op de horizonlijn.
basisregel 5
Verdwijnpunten & horizonlijn
Waar staan verdwijnpunten op de horizonlijn? In de meeste gevallen vallen verdwijnpunten buiten het beeld van het object of het tekenveld. Dit is logisch want des te verder men punten van de centrale as afplaatst, des te reëler het beeld zich
vormt. Een voorbeeld is te zien in onderstaande figuur.
afstand verdwijnpunten ten opzichte van centrale as
De regel uitgelegd in bovenstaande figuur is benodigd wanneer men een object gaat roteren. In onderstaande figuur is twee maal hetzelfde object te zien, echter vanuit een ander aanzicht. Het object is in gedraaid naar een andere positie. Het resultaat hiervan is dat de verdwijnpunten verschuiven, ten opzichte van de centrale as.
verdwijnpunten bij rotatie object
Er zijn dus twee basisregels te hanteren, namelijk:
1. Wil men de afstand van het beeldvlak tot het object vergroten, vergroot dan de totaal afstand van Y+Z.
2. Wil men de rotatie van een object aanpassen, vergroot/verklein dan de afstand van Y en/of Z ten opzichte van de centrale as (hierbij blijft de afstand van Y+Z hetzelfde).
Hoogte van de horizonlijn
Hoe hoog staat de horizonlijn? De hoogte van de horizonlijn wordt bepaald door de positie van het tekenobject, ten opzichte van de horizonlijn. In onderstaande voorbeelden wordt uitgegaan van een driepuntsperspectief. Echter deze technieken gelden ook voor een één-, en tweepuntsperspectief.
Voordat een perspectieftekening wordt gemaakt, vraagt men zich eerst af wat het doel is van de tekening. Wat wil men afbeelden? Welk object staat centraal? Etc. Afhankelijk van het doel van de tekening bepaald men de hoogte van de horizonlijn. Onderstaand enkele voorbeelden.
Horizonlijn gelijk aan ooghoogte
Wanneer de horizonlijn gelijk ligt aan de ooghoogte is de beleving van het getekende object het dichtst bij de werkelijkheid. Worden er personen afgebeeld, dan ligt de horizonlijn gelijk aan de ooglijn van deze personen, ongeacht waar deze personen zich in het tekenveld bevinden. Zie onderstaande figuur.
horizonlijn gelijk aan ooghoogte
Horizonlijn hoog
Wanneer de horizonlijn hoog ligt op het tekenveld, dan wordt het object van bovenaf geprojecteerd. Hoe verder de horizonlijn naar boven, des te hoger de positie vanuit waar men op het object kijkt. Zie onderstaande figuren.
horizonlijn hoog (vogelperspectief)
horizonlijn gelijk aan bovenkant object
Horizonlijn laag
Des te lager de horizonlijn zich bevindt op het tekenveld, des te imposanter het object afgebeeld wordt. Alsof je omhoog kijkt. Door de verdwijnpunten lager te plaatsen dan de horizonlijn, kan een object aan de onderzijde bekeken worden. Zie onderstaande figuur.
horizonlijn laag (kikkerperspectief)
Meten in perspectief
Hoe kun je meten? Meten in perspectief gebeurt op basis van verhoudingen. Meten in verhoudingen is in theorie hetzelfde als meten op schaal. Als uitgangspunt neem je een werkelijke maat (in werkelijkheid is een afstand bijvoorbeeld 4 meter), op papier meet je deze afstand en is 4 centimeter. 400 cm : 4 cm = 100. Deze tekening is dan schaal 1 op 100. Iedere maat die je handmatig op deze tekening meet, doe je maal 100 om de werkelijke maat te berekenen.
Perspectieftekeningen zijn ook op schaal getekend, echter het is moeilijker om deze schaal te achterhalen. Hiernaast zit er een verschil in verticaal meten (hoogte) en horizontaal meten (diepte).
De meest gehanteerde manier om een indruk te krijgen van de schaal van een object is meten met de menselijke maat. De gemiddelde ooghoogte van de mens is 1.7 meter. Wanneer je dus een persoon op een foto ziet staan, kun je er van uitgaan dat zijn ogen zich op 1.7 meter boven de grond bevinden. Dit is een bijzonder efficiënte maatstaaf die vrijwel bij iedere foto toepasbaar blijkt. Zie onderstaande figuur.
meten in verhouding tot de menselijke maat
Meten met behulp van ooghoogte geeft ook een indruk over de afstand (diepte) tussen meerdere objecten. We zien in onderstaande figuur vier personen waarvan de ene verder weg lijkt te staan dan de andere. De ooghoogte geeft een indicatie van de afstand (diepte) tussen deze vier personen. Zo is te zien dat de kleinste personen verder weg staan dan de grotere personen.
meten met ooghoogte & afstand (diepte)
Verticaal meten (hoogte)
Hoe kun je nu hoogten meten op een bestaande afbeelding of foto? Als voorbeeld nemen we onderstaande figuur. Hier is te zien dat de horizonlijn zich bevindt ter hoogte van de ooglijn. Uitgaande van het feit dat de gemiddelde ooghoogte ligt op 1.7 meter boven de grond, kunnen we in verhouding meten dat het dichtstbijzijnde blok een hoogte heeft van 2.4 meter (1.7m. + 0.7m.) Het linkse blok lijkt een stuk verder weg te staan. Door op dezelfde manier te meten komen we erachter dat dit blok een hoogte heeft van 5.7 meter. Het linkse blok is dus aanzienlijk hoger dan het rechtse blok.
voorbeeld meten van hoogten in perspectief
We nemen nog een voorbeeld. Hiervoor gebruiken we onderstaande figuur waar een bestaand gebouw is afgebeeld, zonder dat er zich personen bevinden op de foto. We hebben nu géén persoon als referentie, wat we wel weten is dat de hoogte van het gebouw (tot de daklijn) 11 meter bedraagt. Door de vluchtlijnen door te trekken naar de verdwijnpunten kunnen we de horizonlijn bepalen (blauw gestippelde lijn). In verhouding meten we dat het gebouw 9 meter boven de horizonlijn uitsteekt (lijn X). Dit wil dus zeggen dat de fotograaf zijn camera op 2 meter hoogte boven de grond had opgesteld.
hoogten meten vanaf een bestaande foto, zonder behulp van de ooglijn
Wat is nu opvallend aan deze foto? Je kunt nameten dat lijn X verschilt in lengte, terwijl deze in werkelijkheid altijd 9 meter is. Je ziet ook dat lijn X+Y 11 meter is, echter deze lijn is op de foto korter dan de lijn waar 11m. bij vermeldt staat. Dit werd eerder op deze webpagina ook al behandeld in het hoofdstuk: Regel 4: objectgrootte.
Bovenstaande voorbeelden laten beide zien dat het alleen mogelijk is hoogten te meten, wanneer men een referentie (maat) heeft. Hoogten meten in verhouding? Staan er geen personen op een afbeelding of tekening, probeer dan een andere maat te achterhalen. Om de hoogte van het object te bepalen.
Horizontaal meten (diepte)
Horizontale maten meten (diepte) ligt iets complexer dan verticaal (hoogte) meten. Als voorbeeld nemen we onderstaande figuur. Hier staat een woning afgebeeld met een deur en schuin dak. Ook staan een aantal maten vermeld waaruit we af kunnen leiden waar de deur zich bevindt in de rechtergevel.
parallelle projectie voorbeeldwoning
In onderstaande figuur zie je diezelfde woning afgebeeld in perspectief (zonder maatvoering). Het is nu veel moeilijker in te schatten op welke afstand de deur zich bevindt ten opzichte van de voorgevel. (parallel zegt 1 m.)
perspectief projectie voorbeeldwoning
Hoe kun je nu zonder maatvoering erachter komen waar de deur zich bevindt in de rechtergevel? De oplossing hiervoor is simpel. Zie onderstaande figuur. (Deze oplossing is ook toe te passen bij verticaal meten).
perspectief projectie voorbeeldwoning
We starten het uitzetten van de horizonlijn (grijze stippellijn). Teken nu parallel aan deze horizonlijn een lijn van 6 meter (rode lijn met maatvoering) lengte die begint op de hoek van het huis. We plaatsen deze lijn op het begin van de vluchtlijn waarvan we maten willen meten. Het enige wat je nu dus aan maat nodig hebt is de lengte (diepte) van het huis (6 meter).
De volgende stap is het tekenen van de blauwe lijn, welke start op het eindpunt van de 6 meter lijn, en eindigt op de horizonlijn (punt Y). Deze lijn loopt door punt X. Punt X moet 6 meter zijn (vanaf de voorgevel), omdat deze maat al bekend was.
Trek nu vanuit punt Y de 2 rode stippellijnen richting de rode lijn met maatvoering. Deze lijnen teken je vanaf punt Y, door de scheidingspunten van de deur, tot aan je horizontale lijn.
De laatste stap. Meet nu de afstand van het hoek van het huis tot aan de deur (meten in verhouding wanneer je op schaal tekent). Deze afstand blijkt 1 meter te zijn, evenals de breedte van de deur. De resterende maat moet dan automatisch 4
meter zijn.
Horizontaal meten in verhouding: Het is alleen mogelijk de plaats en maatvoering van een object te meten wanneer hiervoor referentie-maatvoering beschikbaar is. Achterhalen van referentiemaatvoering kan gebeuren door inschatting en/of het
gebruiken van maten die al bekend zijn (denk hierbij aan de lengte van de gevel).
Schuine vlakken in perspectief
De sleutel tot de perspectivische weergave van schuine vlakken ligt in het feit dat de verdwijnpunten daarvan altijd recht boven en recht onder het punt liggen waar ze zouden samenkomen als de vlakken horizontaal zouden zijn.
vluchtlijnen bij schuine vlakken
Ronde vormen in perspectief
Een volmaakte cirkel past in een volmaakt vierkant. Als we een vierkant in perspectief kunnen tekenen, moeten we er alleen nog de cirkel inpassen.
Bij de cirkel in perspectief zien we de werkelijke diameter niet in het midden maar iets dieper in beeld. Ook hier is de basisregel "Hoe verder hoe kleiner" van toepassing. De achterste helft van de cirkel is verder van ons af en is hierom
dus ook kleiner.
ronde vormen in perspectief
De cirkel in perspectief is een ellips, de lange as verdeelt de ellips in twee gelijke delen (A – B).